Eigenbilzen
Haspeloeres en zijn vrouw

Op de grenzen van een dorp
dat ik hier niet noemen zal
stond een oud bouwvallig huisje
langs den ouden dorperwal
Ja, niet ver van 't kleine huisje
op den hoek van d''and're straat
stond 't net versierde kruisje
waar op heden nog een staat
Vroeger ging ik in de buurte,
Bij vriend peter, halve neef
spelen, loopen langs de straten
waar men dan vermaak in heeft
En dan kwamen wij aan 't hutje
't is geleden o zoo lang
klopten op 't oude deurke
maakten Haspeloeres bang.
Marij, mij dunkt ik zie haar nog,
liep ons dan vol woeda na
vloekte, tierde, huilde, weende
Goede God, geef haar genâ!
Haspeloeres was veel beter
't was een man heel zacht van aard,
dronk, geloof ik, graag een borrel
en hield innig van de kaart.
Nu is Haspeloeres henen,
korvenmaker was zijn stiel
In de blookstraat overleden
De hemel hebbe zijn ziel
Wie gedenkt den armen brave?
Wie gedenkt zijn vrouw Marij ?
Wie treurt wel op 't kerkhofje
Niemand denkt aan allebei.
In het Paradijs der wolken,
waar de Godheid leeft en troont,
worden zij door den Almachtige
voor hun armoe thans beloond.
Kom ik soms langs 't oude plekje
waar hub huisje heeft gestaan
denk ik aan Marij en Kobus,
aan mijn oog ontsnapt een traan.
Doch het oud versierde kruisje,
langs dien groene hazelaar,
roept heel luide: "In de hemel
is den ouden haspelaar"!

Dààr, daar woonde Haspeloeres
en Marij z'n goede vrouw
in dit armzaal'ge hutje
met die kromgebogen schouw
Eigenbilzen
Albert van Eygenbilzen
26 december 1896