Eigenbilzen
De insnede der Albertvaart te Eigenbilzen
De huisjes van Antoon en Seike,
stonden ginder op een rijke
Zie daar komt de Albertvaart,
beiden moesten van de kaart
Zeg eens:" Slond" en "Hanebosch",
breekt gij niet in tranen los
Kijk uw mooie groene dennen,
die u al jaren kennen
Ongenadig omgehakt,
er blijft geen tronk, er blijft geen tak

Al uw wild, meestal konijnen,
Moeten door de vaart verdwijnen
Gelukkig dat het grootste deel,
Tijdig vluchtte naar het kasteel
Waar het door geen kat noch honden,
Onverbiddellijk wordt verslonden
Waar het niets meer heeft te schroomen,
Er geen stropers durven komen
Wijl bij dagen en bij nacht,
Minst twee "garden" houden de wacht
En de heer der Zangerhei,
Ze vrijwaart tegen strooperij
De "Hanestraat" leidt recht ter stond,
heeft veel beweging op dees stond
Vrouwen uit de Hanestraat,
vindt men daar in druk gepraat
Staan in groepjes voor hun deuren,
weten niet wat gaat gebeuren
Ge hoort ze zwetsen, bab'len en snappen,
ge ziet ze in de handen klappen
Zwenken, zwaaien op hun stoepen,
en ge hoort ze vragend roepen

Goeie God wat moet dat geven,
en wat gaan we hier beleven
Heel de "Slond" moet uitgegraven,
men verteld hier komt een haven
Beerenbroek het gindsch gehucht,
verwacht er ook een grote brug
Wat laweit Gods lieve hemel,
Wat al volk en welk gewemel
's Zondags vroeg reeds na de mis,
is het compleet begankenis
Oud en jong brengt zijnen groet,
aan de "Slond" die sneuvelen moet
Zoo, zoo jammeren al die vrouwen,
als ze hun streek bedeesd aanschouwen
En van allen is niet eene,
of voelt zich kort bij het weene
Gij weet hoe het met veel vrouwen staat,
als die zijn in hun gepraat
Een oog dat weent, het and're lacht,
een eigenschap van het zwak geslacht

De "Haneweyer" moet ook van kant,
de vaart spaart huis, noch bosch, nog land
't is ook het lot van de "Hanebosch",
des zomers heerlijk uitgedost
Als die oorden worden lijken,
vallen voor de vaart en dijken
Een kennis aan de Haneweyer,
in plaats van droef is bij en blijer
Speelt er velen in hun kaart,
de lui van "Dorp" en " Locht",
hebben daar hun land verkocht
En hun geldje uitgezet,
daarmee zijn ze nu gered
Gouden interest, eerste pad,
Ze hangen hun ploegske aan den wand

En zonder daarom te gaan uieren,
ziet men ze rond de werken kuieren
Enkel moest het frankske zinken,
ge zoudt ze op één been zien hinken
Wijl hun grond ligt in de vaart,
papiergeld is hier niks waard
Doch het is waar de frank staat vast,
onze vaart is eerste klas

Waarom zouden wij dan schromen,
'd Albertvaart moet toch er komen
"Gewaai" en "Kiewith" kregen niets,
maak de mensen dat maar diets
De staat verkoos de kortste baan,
waar het nieuwe kanaal moest gaan
En lukt dat nu dan krijgt met recht,
Van Caeneghem een kroon gevlecht
Rikus Croux  1932
Eigenbilzen