Eigenbilzen
DAT ZEI DE OUDE TORENHAAN

Nieuws in rijmen uit Eigenbilzen, van Thomas Lathouwers
Het belang van Limburg 25 december 1935
De oude  toren is niet meer! Zijn kap werd afgebroken
De voet verhoogd, een nieuwe spits is er nu opgestoken

Het ijzeren kruis is afgedaan, door kloeke Hoeselaren
Het stond daar hoog, met kop'ren haan, ruim eenenvijftig jaren
En 't gleed heel zacht langs de leien af, tot onder op de graven
Waar zij, die rusten in den Heer, op rijen zijn begraven

Dien avond in den maneschijn ging ik den haan bekijken
Hij lag op het kerkhof uitgestrekt, beweegloos als de lijken.
Zeg kameraad, sprak ik hem aan, is u dat thans geen wonder
G'hebt altijd daaar zoo hoog gestaan, en nu ligt gij hier onder

De haan, hij sprak:" och beste man, gun mij nu hier wat vrede
Ik draaide vijftig jaren lang met alle winden mede
U kende ik, als kleine knaap, gij diende nog de misse
Gij weet hoe 'k wierd op 't kruis gezet, bij smid Pie in zijn smisse

Dan op een donderdag voor den noen, na smeden en na booren
Hebben ze 't kruis en mij omhoog gehesen, op den herstelden toren
Dan ben ik met het zwar ekruis, op den scherpe spits geheven
Z'o'o' is de toen vernieuwde toren, vijftig jaar gespaard gebleven

Mijn voorzaat werd in as gelegd, bij onweer en bij donder
Het hemelsvuur trof kap en kruis, en plofte 't al naar onder
Dan zijn de kap en kruis hersteld, ik ben erop gekomen
Een donderroede boven mijn hoofd, nu viel niet meer te schroomen

Zo heb ik daar die vijftig jaar, 't is een manier van 't spreken,
vanaf die scherpe torenspits, het volk hier uitgekeken!
'k Heb veel gezien en veel gehoord, die halve eeuwe lang
Doch denk niet, beste kameraad, dat 'k aan 't klokzeel hang!

'k Heb veel beleefd, vervolgt de haan, ge moogt 't onderlijnen,
'k zag velen komen, velen gaan, verschijnen en verdwijnen
De vogels schaarden zich rond 't kruis, terwijl zij 't nieuws vertelden
En stierf er iemand, oud of jong, de klokken die 't meldden

Ik kweet mij steeds van mijnen plicht, niets anders kon mij baten,
Ik zwenkte links, ik zwenkte rechts en liet de mensen praten
Het volk eischte veel van mij, riep steeds om wind uit 't zuiden,
En als de koster zich versliep, dan zou hij mij doen luiden!

Men lasterde mij gedurig aan, door achterklap en logen,
En had ik hier niet zo vast gestaan, lang zou ik zijn afgevlogen
Bij kermis, festival of feest, stond men heel vroeg te gapen,
Van waar de wind kwam, wat voor weer, als had ik 't weer geschapen

En wees ik goed, en 't kwam niet uit, dan viel het volk aan 't vloeken,
Hij draait verdomme, niet meer rond, klonk het uit alle hoeken.
Ik hield mij nogthans op mijn stuk, en buiten de politiek....
Mijn naam getrouw en bovenal, van kop tot teen katholiek

Hier waren vroeger blauw en rooi, allemaal Katholieken
Bij kiestijd ging 't er heftig op, twee dorpspolitieken
Doch eens de kiezing achter de rug, dan weren de leiders vrinden,
Men kon ze samen, zij aan zij, op feest en kermis vinden

Ik wij sterloops ons volk hier op, iets wat slecht is geweten
De groote honden ondereen, hebben zich nog nooit gebeten.
Ik zag heel graag hier Recht door zee, tegen Aurora had ik geen bezwaren
Twee muzieken, die Katholiek, in 't zelfde schip niet varen

Aan alleman wees ik trouw de wind, bij zomer, winter, lente
Elders gaat 't steeds om geld, ik diende zonder centen
De oorlog kwam, en daar de Pruis, ik zag hoe ze zich vormden
Ons volk, vol angst, sloeg op de vlucht, als zij hier binnenstormden

Ik zag die kerels aande gang, dat waren geen bagatellen
Ik zal u eenmaal vroeg of laat, hun inval hier vertellen.
De oorlog om, 't werd volop feest, men luidde al de klokken
Dicht bij mij stak de driekleur uit, de Pruis was toch vertrokken

Ik ben geen Waalsche maar Vlaamse haan, dat moet 'k nog proclameren
En nooit geen Waal, hoe lips hij is, zal zonder zeep mij scheren.
Gij weet nu ook al wat ik ben, een goede Flamingant,
Getrouw aan God, aan Paus en kerk, aan koning, troon en vaderland

Nu stak de haan zijn pootjes uit, hij wilde d' oogen sluiten
Laat mij rusten, zeide hij, ik sliep steeds in de buiten
En kan 'k u ooit van dient zijn, mat al mijn ouw' archieven
Klim dan den nieuwen toren op, 'k zal u goed gerieven

Dat rijmt en schrijft gij in mijn plaats, 'k vertrouw u mijn secreten
Die niemand uit het dorp hier kent, door niemand zijn geweten
Zoo zal men weten hoeveel er zijn, die ij nooit hoorden kraaien,
Maar van mij leerden om, zoals ik, naar de wind en weer te draaien!

Ik word weldra voor den tweede keer, op 't nieuwe spits geheven,
Dan draai ik weer als voorheen, door elke wind gedreven
Ik wijs naar 't oos endan naar 't zuid, van 't noorden naar het westen
En vraag mij af waar hoor ik thuis, waar blijf ik op 't beste ?

Nu sloot de haan zijn ogen dicht, slaap had hem overrompeld
En in zijn droom heeft hij tot slot, het volgende nog gemompeld
Doet gij maar goed aan elkeen, gij krijgt soms op het leste,
veel stank voor dank, voor al uw goed, geef gij u maar ten beste

Ziedaar mijn taak heel trouw volbracht, wat de haan mij zei aan 't licht gebracht
Doch zijn de rijmen niet als 't moet, en vinden ze X of Z niet goed:
Dat zij maar niet verzaken, ze mogen er betere maken
Doch wat ik schreef, 't is wel verstaan, dat zei de oude torenhaan.
Eigenbilzen