Eigenbilzen
Aan mijn gehucht "Beerenbroek"

Ik roem, uit zucht,
U, mijn gehucht
Wanr die landouwen
Als heinde en veer
Wij hier beschouwen
Zijn nergens meer.

Hier beemd en dalen
Zoo schoon gebouwd
Die weerzijds palen
Aan 't hooge woud.
Ginds hoedt de herder
zijn schapkens kloek
Een weinig verder
ligt Beerenbroek

'k Roem dus met reden
Mijn klein lief Eden,
Daar leef ik blij
'k Ontschuil het beslommer
Tot lust gewekt
Daar vrij van kommer
Een wijngaards lommer
Mijn hut bedekt.

Gebloemten sieren
Den bruinen grond
En populieren
verfraaien het rond
Met zacht geklater
Vloeit in dees streek
Van 't zoetste water
Een heldre beek

Zij stroomt langs boomen
Die haren boord
Aan weerzij zoomen
Verfrissend voort.
Het vischje spartelt,
het zwemt en dartelt,
dan op, dan neer;
Nu schiet het neder

Straks met een keer
Verschijnt het weder
In 't kort, waar 'd'oogen
zich wenden mogen
Een schilderdoek
Van ellste trekken
Die vreugde wekken
Biedt Beerenbroek

Maar eer gij 't vergeet te raden,
zeg ik, daar woont mijn dier'bre gade
Daarom stem ik zoo blij daarin
Zing ik nog zooals in 't begin:
O, die landouwen
als heinde en veer
wij hier beschouwen
zijn nergens meer !
Albert van Eygenbilsen
De Bilsenaar 05/08/1893
Eigenbilzen